Cisgender: betekenis, herkomst en de andere nieuwe woorden van het genderdebat
Van ‘cisgender’ (1991/1994) tot ‘deadnamen’ (2020): waar de nieuwe woorden van het genderdebat vandaan komen, wanneer Van Dale en de OED ze opnamen en wat ze doen.

Wie de betekenis en herkomst van ‘cisgender’ opzoekt, stuit op een opmerkelijk feit: het woord dat tegenwoordig de meerderheid van de mensheid benoemt, bestond dertig jaar geleden nog niet. Hetzelfde geldt voor ‘non-binair’, ‘deadnamen’, ‘misgenderen’ en ‘genderfluïde’. In één generatie kreeg het Nederlands er een complete woordenschat bij, grotendeels overgenomen uit het Engels, soms via een Duits omweggetje. Dit artikel volgt die woorden van hun eerste vindplaats tot hun opname in de Dikke Van Dale, en vraagt bij elk woord wat het precies doet zodra het in een debat valt.
Een woordenschat die in dertig jaar ontstond
Nieuwe woorden ontstaan zelden uit het niets. Meestal zijn ze een antwoord op een praktisch probleem: er is iets dat benoemd moet worden en er is geen woord voor. In het genderdebat lag dat probleem bij een kleine groep die zichzelf wilde beschrijven zonder de medische taal van ‘transseksualiteit’ en ‘geslachtsidentiteitsstoornis’. De woorden die zij vonden, vaak op nieuwsgroepen en in gestencilde nieuwsbrieven, zijn in enkele decennia opgeklommen tot stijlgidsen, diagnostische handboeken en woordenboeken. Dat is lexicografisch gezien uitzonderlijk snel.
Voor het Nederlands is de chronologie goed te volgen dankzij het Woordenboek van Nieuwe Woorden van het Instituut voor de Nederlandse Taal (INT), dat per woord de oudste vindplaats noteert: ‘cisgender’ in 2009, ‘genderfluïde’ in 2012, ‘misgenderen’ in 2014, ‘non-binair’ in 2015, ‘deadnamen’ in 2020. Vrijwel allemaal zijn het leenwoorden of leenvertalingen uit het Engels. Wie de bredere geschiedenis van het woord ‘gender’ zelf wil kennen, van John Money tot de Dikke Van Dale, leest het beste eerst onze woordgeschiedenis van gender. Hier beperken we ons tot de aanwas van de laatste dertig jaar, het thema van onze rubriek Nieuwe woorden.
Cisgender: van Duits vakblad naar Usenet
Volkmar Sigusch en de ‘Zissexuellen’ (1991)
Het voorvoegsel ‘cis-’ is Latijn en betekent ‘aan deze zijde van’, het spiegelbeeld van ‘trans-’, ‘aan de overzijde van’. Scheikundigen gebruiken het al sinds de negentiende eeuw voor de ligging van atoomgroepen in een molecuul. De eerste die het op mensen toepaste in de huidige betekenis was, voor zover bekend, de Duitse seksuoloog Volkmar Sigusch. In zijn tweedelige artikel Die Transsexuellen und unser nosomorpher Blick uit 1991 sprak hij van ‘Zissexuelle’: mensen bij wie lichaam en genderbeleving samenvallen. In 1998 schreef Sigusch dat hij de term daar had gemunt. Het woord bleef echter beperkt tot de Duitse vakliteratuur.
Usenet, 1994 en 1995
De Engelse vorm ‘cisgender’ ontstond onafhankelijk daarvan op Usenet, het discussienetwerk uit de begintijd van het internet. De Oxford English Dictionary voert als oudste vindplaats een bericht uit 1994 in de nieuwsgroep alt.transgendered van Dana Leland Defosse, destijds student, die een woord zocht voor ‘niet-transgender mensen’. Lange tijd werd de eer toegeschreven aan de Nederlandse transgender man Carl Buijs, die het woord in 1995 gebruikte en het volgens eigen zeggen zelf had bedacht; de historicus Avery Dame reconstrueerde in 2017 dat Defosse hem een jaar voor was. Twee onafhankelijke munters binnen een jaar zegt iets: het woord lag voor het oprapen zodra ‘transgender’ een paraplubegrip was geworden.
Woordenboeken: 2015 en 2016
In juni 2015 nam de Oxford English Dictionary ‘cisgender’ op, in dezelfde lichting van zo’n vijfhonderd nieuwe woorden als ‘twerk’ en ‘meh’, met de omschrijving ‘designating a person whose sense of personal identity corresponds to the sex and gender assigned to him or her at birth’. In april 2016 volgde Merriam-Webster, tegelijk met ‘genderqueer’. In het Nederlands dateert het INT de oudste vindplaats op 2009 en omschrijft het woord als ‘met een genderidentiteit die hetzelfde is als het biologische geslacht’. Van Dale voert het eveneens, inmiddels ook in het vertaalwoordenboek Nederlands-Engels.
Wat ‘cis’ doet
Taalkundig is ‘cisgender’ een geval van wat lexicografen een retroniem noemen: een nieuwe naam voor iets dat vroeger geen naam nodig had, zoals ‘analoge klok’ na de komst van de digitale. Maar de werking gaat verder. Zolang alleen de minderheid een etiket heeft, is de meerderheid ‘gewoon’. Met ‘cis’ worden beide groepen een categorie en worden ze taalkundig gelijkwaardig: twee varianten van één verschijnsel, genderidentiteit. Precies dat is waarom voorstanders het woord noodzakelijk vinden en waarom critici het afwijzen. Wie ‘cisvrouw’ zegt, aanvaardt impliciet dat vrouw-zijn een kwestie van identiteit is en niet van geslacht. Het woord bevat dus een standpunt in het debat dat op geslachtofgender.nl wordt uitgespit: of gender en geslacht twee dingen zijn, en welk van beide het woord ‘vrouw’ benoemt.
Transgender als paraplu
Het woord dat ‘cisgender’ mogelijk maakte, is zelf ouder dan vaak wordt gedacht. De psychiater John Oliven gebruikte ‘transgenderism’ al in 1965 in zijn handboek Sexual Hygiene and Pathology, als beter alternatief voor ‘transsexualism’, omdat seksualiteit volgens hem niet de kern van de zaak was. Virginia Prince, oprichter van het travestietentijdschrift Transvestia, muntte in 1969 ‘transgenderist’ voor mensen die als het andere geslacht leven zonder operatie. In die tijd benoemde het woord dus één specifieke groep.
De paraplubetekenis kwam in de jaren negentig. Leslie Feinbergs pamflet Transgender Liberation: A Movement Whose Time Has Come (1992) definieerde ‘transgender’ als overkoepelende term voor alle vormen van gendernonconformiteit, en in datzelfde jaar nam de International Conference on Transgender Law and Employment Policy die brede definitie over: transseksuelen, transgenderisten en travestieten onder één dak. Het is deze paraplu die het mogelijk maakte om iedereen daarbuiten ‘cis’ te noemen. Hoe deze T zich later verhield tot de andere letters van het acroniem, staat in onze geschiedenis van LHBT tot LHBTIQIA+.
Genderqueer, non-binair en genderfluïde
‘Genderqueer’ is een kind van de activistische zines uit de late jaren tachtig en vroege jaren negentig. De bekendste vroege vindplaats is een nieuwsbrief van de actiegroep Transexual Menace uit het voorjaar van 1995, waarin Riki Anne Wilchins schreef over ‘all of us who are genderqueer: diesel dykes and stone butches, leatherqueens and radical fairies’. Het woord bereikte een groter publiek via de bundel GenderQueer: Voices from Beyond the Sexual Binary (2002) en kwam in april 2016 in Merriam-Webster terecht.
‘Non-binary’ bestond in de jaren negentig al, maar brak pas begin jaren 2010 door en streefde ‘genderqueer’ snel voorbij als meest gebruikte overkoepelende term. Het Nederlandse ‘non-binair’ is een leenvertaling; het INT noteert 2015 als oudste vindplaats en omschrijft het als ‘zich identificerend met een genderidentiteit buiten de binaire indeling van man en vrouw’. De grote sprong in het Nederlands kwam met de zestiende editie van de Dikke Van Dale, verschenen op 22 maart 2022: daarin werd ‘non-binair’ opgenomen naast ‘transactivisme’ en ‘regenbooggemeenschap’, kregen bijna vijftienduizend persoons- en beroepsnamen de toevoeging m/v/x en werd ‘die’ als derde persoonlijk voornaamwoord naast ‘hij’ en ‘zij’ vermeld. Hoofdredacteur Ruud Hendrickx: ‘We registreren wat er in de Nederlandse taal gebeurt, zonder daarover te oordelen.’
Wat het woord doet: ‘non-binair’ is, anders dan ‘genderqueer’, geen provocatie maar een klinisch klinkende negatie. Het zegt niet wat iemand is, alleen wat iemand niet is. Daarmee is het breed genoeg om agender, bigender en genderfluïde te omvatten, en vaag genoeg om in een stijlgids te passen. Die neutraliteit verklaart waarom juist dit woord de voornaamwoordenkwestie aanjoeg, die we apart behandelen in ons artikel over die, hen en hun.
Genderfluïde: een stromende metafoor
De oudste bekende vermelding van ‘gender fluidity’ staat in Kate Bornsteins Gender Outlaw: On Men, Women and the Rest of Us uit 1994. Het bijvoeglijk naamwoord ‘gender-fluid’ kwam in 2016 in de Oxford English Dictionary. In het Nederlands dateert het INT ‘genderfluïde’ op 2012, met als vindplaats een Vlaamse holebi-nieuwssite, en omschrijft het als ‘zich afwisselend verschillende genders voelend’. Het woord is een leenwoord met een vernederlandste spelling; de variant ‘genderfluid’ komt eveneens voor.
Taalkundig interessant is de metafoor. ‘Fluïde’ veronderstelt dat gender een toestand is die kan stromen, in tegenstelling tot geslacht, dat vast ligt. Daarmee is het woord een argument op zich: het bestaan van een term voor veranderlijkheid maakt veranderlijkheid tot een feit waarover men kan spreken.
Genderdysforie: van stoornis naar lijden
Niet alle nieuwe woorden komen uit de beweging zelf; sommige komen uit de spreekkamer. ‘Gender dysphoria’ gaat terug op de Amerikaanse psychiater Norman Fisk, die begin jaren zeventig van ‘gender dysphoria syndrome’ sprak. Decennialang bleef het een vakterm naast de officiële diagnose ‘gender identity disorder’, die in 1980 in de DSM-III was opgenomen.
In 2013 verving de American Psychiatric Association in de DSM-5 ‘gender identity disorder’ door ‘gender dysphoria’, uitdrukkelijk om het stigma van het woord ‘disorder’ weg te nemen. De diagnose verhuisde bovendien uit het hoofdstuk over seksuele stoornissen naar een eigen categorie. De APA benadrukt sindsdien dat ‘transgender’ geen psychiatrische diagnose is en dat niet iedere transgender persoon genderdysforie ervaart. De Wereldgezondheidsorganisatie ging in de ICD-11 nog een stap verder met ‘gender incongruence’, waarvoor geen lijdensdruk meer vereist is, ondergebracht bij ‘aandoeningen gerelateerd aan seksuele gezondheid’.
De verschuiving van ‘stoornis’ naar ‘dysforie’ naar ‘incongruentie’ is een schoolvoorbeeld van hoe een vakterm het debat stuurt. Wat eerst een aandoening was die behandeld werd, is nu een onbehaaglijk gevoel of een mismatch, en de behandeling richt zich op het lichaam dat niet past. Of dat winst is of een eufemistische verhulling van een medisch traject, zeker bij minderjarigen, is de vraag die we stellen in ons artikel over eufemismen in het transdebat.
Deadnamen en misgenderen
Twee werkwoorden benoemen wat anderen fout kunnen doen. ‘Deadname’ is volgens de Oxford English Dictionary voor het eerst aangetroffen op Twitter in 2010, het werkwoord ‘deadnaming’ in 2013; de OED nam beide op in de update van juni 2021. Het beeld is grimmig en effectief: de oude naam is niet oud, verlaten of vroeger, maar dood. Wie hem toch gebruikt, stoort een begrafenis.
In het Nederlands ging het snel. Het INT dateert het werkwoord ‘deadnamen’ op 2020 en omschrijft het als ‘aanspreken met een deadname, een naam die iemand, meestal een transgender of non-binair persoon, bij de geboorte heeft gekregen maar niet langer wenst te dragen’. Van Dale voegde ‘deadname’ in februari 2021 toe aan het Groot woordenboek: ‘naam die een trans of non-binair persoon bij de geboorte heeft gekregen en niet meer gebruikt’. ‘Misgenderen’ is ouder: het INT noteert 2014 als oudste Nederlandse vindplaats en herleidt het tot het Engelse ‘to misgender’, dat eind jaren tachtig ontstond. De betekenis: iemand benoemen met een verkeerde genderaanduiding, bijvoorbeeld met de verkeerde voornaamwoorden.
Wat deze woorden doen, is misschien het belangrijkste van dit hele overzicht. Vóór 2014 was ‘hij’ zeggen tegen iemand die ‘zij’ wil horen onbeleefd, een vergissing of een meningsverschil. Met een werkwoord ervoor wordt het een handeling met een naam, en een handeling met een naam kan verboden worden. Het voorvoegsel ‘mis-’ veronderstelt bovendien dat er een juiste aanduiding bestaat en dat die door de aangesprokene wordt bepaald. De taalregel is daarmee in het woord ingebakken.
TERF en AFAB/AMAB: strijdterm en kleine lettertjes
‘TERF’ staat voor ‘trans-exclusionary radical feminist’. De Australische blogger Viv Smythe wordt algemeen gezien als degene die de afkorting in 2008 populariseerde, in blogposts over het Michigan Womyn’s Music Festival, dat transvrouwen weerde. Smythe heeft later geschreven dat zij het bedoelde als neutrale, beschrijvende term om twee stromingen binnen het radicale feminisme uit elkaar te houden. Het woord werd echter al snel een scheldwoord, en wie ermee wordt aangeduid, wijst het vrijwel altijd af. Dat maakt ‘TERF’ taalkundig tot een exoniem: een naam die alleen door buitenstaanders wordt gebruikt. Of het een haatterm is, is zelf onderdeel van het debat geworden.
‘AFAB’ en ‘AMAB’ (‘assigned female/male at birth’) komen uit een andere hoek: de medische zorg voor interseksekinderen, waar artsen letterlijk een geslacht toewezen. Het begrip ‘assigned sex’ staat sinds 1994 in de DSM-IV en werd in 2006 vastgelegd in een internationale consensusverklaring over intersekseaandoeningen. De afkortingen zijn daarna door de transgenderbeweging overgenomen als vervanging van ‘biologisch man’ of ‘geboren als vrouw’. Ook hier zit het argument in het woord: ‘toegewezen’ maakt van een vaststelling een beslissing, en beslissingen kunnen worden herzien. Voor de precieze definities van deze en andere afkortingen verwijzen we naar de lijst op alfabetbende.nl.
Weging: hoe snel een woord officieel wordt
Zet de jaartallen naast elkaar en er tekent zich een patroon af. Tussen eerste vindplaats en opname in een gezaghebbend Engels woordenboek zat bij ‘cisgender’ eenentwintig jaar (1994–2015), bij ‘genderqueer’ eenentwintig jaar (1995–2016), bij ‘deadname’ elf jaar (2010–2021). In het Nederlands ging het nog sneller: ‘deadnamen’ werd binnen een jaar na de oudste vindplaats door Van Dale opgenomen. Dat zegt minder over de woorden dan over de woordenboeken, die sinds de digitalisering doorlopend bijwerken en zich, in de woorden van Van Dale, beperken tot registreren.
- 1991: Sigusch gebruikt ‘Zissexuelle’ in een Duits vakblad.
- 1994–1995: ‘cisgender’ op Usenet (Defosse, Buijs); ‘gender fluidity’ bij Bornstein.
- 1995: Wilchins schrijft ‘genderqueer’ in een nieuwsbrief van Transexual Menace.
- 2008: Smythe populariseert ‘TERF’.
- 2013: DSM-5 vervangt ‘gender identity disorder’ door ‘gender dysphoria’.
- 2015–2016: OED en Merriam-Webster nemen ‘cisgender’ op; OED ook ‘gender-fluid’.
- 2021: Van Dale voegt ‘deadname’ toe (februari); OED ‘deadname’ en ‘deadnaming’ (juni).
- 2022: Dikke Van Dale, zestiende editie, met ‘non-binair’, m/v/x en ‘die’ als voornaamwoord.
Opvallend is wat er niet gebeurde. In de Van Dale-verkiezing van het Woord van het Jaar, die sinds 2007 wordt gehouden, won tussen 2007 en 2023 geen enkel genderwoord; de winnaars gingen over klimaat, corona en politiek. De genderwoordenschat kwam het woordenboek dus niet binnen via de publieksstemming, maar via de stille route van de redactionele update.
Woorden die een standpunt meebrengen
Dat een taal nieuwe woorden maakt voor nieuwe ervaringen, is normaal en gezond. Niemand hoeft bezwaar te hebben tegen een woord waarmee een kleine groep zichzelf beschrijft. Wat deze lichting bijzonder maakt, is dat de woorden niet alleen de minderheid benoemen, maar de hele werkelijkheid herindelen: ‘cis’ maakt van iedereen een categorie, ‘toegewezen’ maakt van een geslacht een beslissing, ‘misgenderen’ maakt van een aanspreekvorm een overtreding en ‘dysforie’ maakt van een diagnose een gevoel. Wie de woorden overneemt, neemt ongemerkt het kader over.
Woordenboeken registreren, zoals Van Dale terecht zegt, en oordelen niet. Maar sprekers kunnen dat wel. De les van deze woordgeschiedenis is niet dat de nieuwe woorden fout zijn, maar dat ze geladen zijn, en dat wie ze gebruikt moet weten wat hij meedraagt. Precies daarom documenteren we op deze site hun herkomst: niet om ze te verbieden, maar om ze te kunnen zien. Meer voorbeelden van betekenis die onder onze ogen verschuift, staan in de rubriek Betekenisverschuiving.
Bronnen
- Sigusch, V. (1991). Die Transsexuellen und unser nosomorpher Blick. Zeitschrift für Sexualforschung, 4(3–4). Zie ook Sigusch, V. (1998). The Neosexual Revolution. Archives of Sexual Behavior, 27(4).
- Dame, A. (2017). Tracing Terminology: Researching Early Uses of Cisgender. Perspectives on History, American Historical Association, 22 mei 2017.
- Oxford English Dictionary (2015). New words list June 2015 (opname ‘cisgender’); OED-update juni 2021 (opname ‘deadname’, ‘deadnaming’). Oxford University Press.
- Merriam-Webster (2016). Toevoeging van ‘cisgender’ en ‘genderqueer’ aan het woordenboek, april 2016.
- Instituut voor de Nederlandse Taal. Woordenboek van Nieuwe Woorden: lemma’s ‘cisgender’, ‘genderfluïde’, ‘misgenderen’, ‘non-binair’, ‘deadnamen’. neologismen.ivdnt.org.
- Van Dale (2022). Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal, 16e editie (22 maart 2022); toelichting ‘Genderinclusief taalgebruik in de Dikke Van Dale’, vandale.nl; lemma ‘deadname’ (toegevoegd februari 2021).
- American Psychiatric Association (2013). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, 5th ed. (DSM-5); APA, ‘What is Gender Dysphoria?’, psychiatry.org.
- Feinberg, L. (1992). Transgender Liberation: A Movement Whose Time Has Come. World View Forum, New York.
Redactie Letterbrij.nl
Onafhankelijke redactie die de woorden van het genderdebat lexicografisch en historisch ontleedt, met eerste vindplaatsen, woordenboeken en stijlgidsen als bron. Over woorden, niet over mensen. Laatst bijgewerkt op 20 augustus 2026.
Veelgestelde vragen
Korte antwoorden op de vragen die het vaakst terugkomen.
Meer over Nieuwe woorden

Transgender als parapluterm: hoe een woord alles ging omvatten
Hoe transgender in dertig jaar veranderde van een smal, specifiek etiket in een parapluterm voor een heel spectrum aan genderidentiteiten.

Die en hen: hoe het Nederlands aan genderneutrale voornaamwoorden kwam
Van de TNN-verkiezing in 2016 via het ANP-besluit van 2021 tot het Taalunie-advies van 2022: de geschiedenis van ‘die’, ‘hen’, ‘hun’ en ‘diens’, en waarom ‘hen loopt’ wringt.
